
Werkenden kunnen in 2027 rekenen op een aantal financiële meevallers. Het kabinet verlaagt de belasting op arbeid, verhoogt de arbeidskorting en houdt de brandstofaccijnzen voorlopig lager. Toch betekent dat niet automatisch dat iedere werknemer volgend jaar meer te besteden heeft. Hogere prijzen en vaste lasten blijven een belangrijk deel van het voordeel opslokken.
Na Prinsjesdag draait het voor werknemers uiteindelijk vooral om de vraag wat de kabinetsplannen betekenen voor hun portemonnee. Op papier ziet dat beeld er voor 2027 redelijk positief uit. Het kabinet wil werken aantrekkelijker maken en kiest daarbij onder meer voor aanpassingen in de inkomstenbelasting.
Een belangrijke maatregel is de verhoging van de arbeidskorting met €173. Deze belastingkorting is gekoppeld aan inkomen uit arbeid en zorgt ervoor dat veel werknemers minder belasting betalen. Daarnaast worden de belastingtarieven in de eerste en tweede schijf met 0,06 procentpunt verlaagd.
Het gevolg is dat veel werkenden netto iets meer van hun brutoloon kunnen overhouden. Hoe groot het voordeel precies is, verschilt per inkomen en persoonlijke situatie.
Meer werken moet meer opleveren
Achter de belastingmaatregelen zit een duidelijke gedachte. Nederland kampt in verschillende sectoren met personeelstekorten en het kabinet wil stimuleren dat meer mensen gaan werken of meer uren maken.
Dat klinkt eenvoudig, maar in de praktijk levert een extra werkdag niet altijd het verwachte financiële voordeel op. Een hoger inkomen kan bijvoorbeeld leiden tot minder toeslagen en meer belasting. Daardoor kan het verschil tussen een dag extra werken en het bedrag dat uiteindelijk netto overblijft tegenvallen.
Met onder meer de hogere arbeidskorting probeert het kabinet werken financieel aantrekkelijker te maken.
Voor werknemers met hogere inkomens ziet het plaatje er anders uit. De inkomensgrens voor het hoogste belastingtarief wordt niet verhoogd. Door salarisstijgingen kunnen werknemers daardoor eerder met een deel van hun inkomen in het hoogste tarief terechtkomen.
Ook wordt vanaf een inkomen van €137.800 het fiscale voordeel van pensioenopbouw beperkt. Deze maatregel moet vanaf 2027 gedurende zes jaar gelden.
Autorijden blijft betaalbaarder
Ook werknemers die dagelijks met de auto naar hun werk gaan, krijgen te maken met een belangrijke Prinsjesdagmaatregel. De tijdelijke korting op de brandstofaccijnzen blijft in 2027 bestaan.
Zonder verlenging zou tanken vanaf januari aanzienlijk duurder kunnen worden. Met de nieuwe plannen komt de accijns op benzine uit op ongeveer €0,85 per liter en die op diesel op ongeveer €0,55.
Voor iemand die jaarlijks veel woon-werkkilometers rijdt, kan het behoud van de korting op jaarbasis een aanzienlijk verschil maken.
Personeelskorting op de schop
Een kleinere maatregel die voor sommige werknemers toch merkbaar kan zijn, is het verdwijnen van de aparte belastingvrijstelling voor personeelskortingen.
Werknemers kunnen nu onder voorwaarden belastingvrij korting krijgen op producten van hun eigen werkgever. Die specifieke vrijstelling wil het kabinet per 1 januari 2027 afschaffen.
Werkgevers kunnen dergelijke kortingen eventueel nog via de werkkostenregeling aanbieden. De vrije ruimte daarvan wordt echter ook gebruikt voor andere vergoedingen en extra’s. Bedrijven zullen daarom moeten beoordelen of zij bestaande personeelsregelingen willen aanpassen.
Grote ingreep in WW uitgesteld
Ook voor werknemers die hun baan verliezen is er relevant nieuws. De eerder besproken forse verkorting van de maximale WW-duur wordt voorlopig uitgesteld.
Dat betekent niet dat de discussie over de WW voorbij is. De kosten van de sociale zekerheid en de hervorming van de arbeidsmarkt blijven belangrijke politieke onderwerpen. Voor 2027 lijkt de directe ingreep voor werknemers echter minder groot dan eerder werd voorzien.
Meer nettoloon betekent niet automatisch meer koopkracht
Onderaan de streep kunnen veel werknemers door de belastingmaatregelen iets meer nettoloon verwachten. Toch vertelt een loonstrook maar een deel van het verhaal.
De echte koopkracht wordt bepaald door wat iemand na alle uitgaven overhoudt. Boodschappen, energie, huur of hypotheek, zorgverzekering, gemeentelijke lasten en andere kosten bepalen uiteindelijk hoeveel ruimte er daadwerkelijk in het huishoudbudget zit.
Juist daarom trekt het kabinet ook geld uit voor koopkrachtondersteuning. In totaal is ongeveer €1,5 miljard gereserveerd voor maatregelen die vooral lagere en middeninkomens moeten helpen.
Of werknemers in 2027 daadwerkelijk merken dat zij ruimer bij kas zitten, hangt dus niet alleen af van Den Haag. Ook loonstijgingen, inflatie en de ontwikkeling van de vaste lasten spelen een belangrijke rol.
Plannen kunnen nog veranderen
Daarbij is één voorbehoud belangrijk: de plannen die op Prinsjesdag zijn gepresenteerd, zijn nog niet allemaal definitief.
Het Belastingplan 2027 en andere voorstellen moeten nog door het parlement. Het kabinet heeft daarbij niet automatisch voor ieder voorstel een meerderheid. Tijdens de behandeling kunnen maatregelen daarom nog worden aangepast.
Voorlopig is de richting echter duidelijk. Het kabinet probeert werken financieel aantrekkelijker te maken en geeft veel werknemers via de belastingen wat extra ruimte.
De kans is daardoor groot dat veel werkenden in januari een iets gunstiger nettoloon op hun loonstrook zien. De belangrijkste vraag komt daarna: blijft daar na het betalen van alle rekeningen ook daadwerkelijk iets van over?